dinsdag 23 december 2014

Smeersum


De historische boerderij Smeersum tussen Warffum en Den Andel was al in de vijftiende eeuw bewoond, maar gevonden potscherven uit de dertiende eeuw doen vermoeden dat er al langer leven op Smeersum was. Rond 1625 beheerden Doe Jacobs en zijn vrouw Fenne de boerderij. Door huwelijken en door verkoop kwam de boerderij in de loop der eeuw in het bezit van de Rijckels, de Rengers, de Torringa’s, de Ritzema’s en uiteindelijk in 1858 van de Willemsens.

In 1926 stichtten twee broers Willemsen het bedrijf Wilco, de afkorting voor Willemsen Conserven. In een schuur tegenover Smeersum droogden ze groenten en produceerden ze vruchtendranken.  Al snel vonden de broers dat de productie gehinderd werd door de zilte lucht en het zoute grondwater, veroorzaakt door de nabije Waddenzee. In 1929 opende Wilco een hoofdvestiging in Assen, maar het bedrijf in Warffum bleef ook draaien.

Onenigheid over de toekomst van het bedrijf dreef de twee broers Willemsen uiteen. In de jaren vijftig verdeelden ze het gemeenschappelijk bezit. Jan Enne bleef in Assen. Hendrikus Harm kreeg de fabriek in Warffum tegenover Smeersum en bouwde die onder de naam Rixona (de zonen van Rieks) uit tot een groot aardappelverwerkend bedrijf, dat tot op de dag van vandaag als onderdeel van Aviko een grote werkgever in Warffum en omstreken is.



In de afgelopen jaren wilde Aviko van Smeersum af. Vorig jaar werd de statige bomenhaag al gerooid. Tot verdriet van omwonenden. Na lang soebatten met onder andere de Bond Heemschut wilde Aviko toch meewerken aan een opknapbeurt van boerderij en tuin. Na de woeste storm van oktober 2012 staat nog slechts de brug over de gracht. Tegenwoordig zijn de puinhopen opgeruimd, maar treurig blijft het.


Erik de Graaf

maandag 22 december 2014

De storm van 22 december 1894


Het is 22 december 2014. Buiten waait het stevig. Vrij krachtig tot stormachtig, langs de kust windkracht 8 uit west tot zuidwest. Hemelsbreed twee kilometer van de waddendijk buldert de wind om het huis.

Honderdtwintig jaar geleden, op zaterdag 22 december 1894, raasde een zware storm over Nederland. Van ’s ochtends om acht uur draaide hij van zuidzuidwest via westzuidwest in de middag tot noordwest in de avond. Die laatste richting behield hij tot halverwege de 23e december. In een Verslag over den Stormvloed van 22/23 December 1894 lees ik dat het verschil tussen eb en vloed zeer groot was aan de Hollandse kusten, maar juist zeer gering aan de Waddenkust. Het water wilde hier een etmaal nauwelijks zakken.

De storm van 22 december 1894 veroorzaakte veel schade, maar maakte weinig slachtoffers. In Scheveningen werd bijna de complete vissersvloot vernietigd. Doordat het vissersplaatsje geen haven had voeren de vissers met logge platbodems, die bij thuiskomst op het strand werden geparkeerd. Aan het begin van de winters werden ze uit veiligheid verder het strand opgesleept. Daar werden ze die zaterdag bezocht door de storm en het hoge water. Een groot deel van de Scheveninger vissersvloot verging op het droge.

Tienduizenden ramptoeristen bezochten de volgende dagen het strand van Scheveningen. Alleen al op Tweede Kerstdag vervoerde de Haagse tram ongeveer 10.000 passagiers naar Scheveningen. Net zoveel mensen kwamen op andere gelegenheden op de ramp af. Onder hen ook de schilder Hendrik Willem Mesdag (1831-1916), die de ramp schilderde (zie illustratie).

Voor de horeca was het een goudmijn, voor de visserij een ramp. De storm van 1894 was ook het startschot voor de aanleg van de vissershaven in Scheveningen, die in 1905 gereed was.

Erik de Graaf

donderdag 18 december 2014

Fakkelen tegen gasbesluit


Gisteravond bewoog zich een fakkeldemonstratie tegen het gasbesluit van het kabinet door de binnenstad van Groningen. Veel zorg en boosheid op de Haagse arrogantie verzamelde zich op de Grote Markt. De vijfhonderd fakkels waren snel vergeven, maar zonder fakkel kon ik ook mee.

Aanleiding voor de demonstratie was het gasbesluit, dat minister Kamp van Economische Zaken kwam toelichten in Groningen. Het resultaat van een jaar lang wikken, wegen, aarzelen en uitstellen (onderzoek heet dat officieel) werd in Groningen unaniem als teleurstellend ervaren. De wijze waarop lokale en provinciale bestuurders dinsdagavond in een vloek en een zucht over het besluit werden ingelicht, terwijl de pers al klaarstond voor een persconferentie van de minister, past perfect in de traditie van kolonialisme en wingewesten. Informeren, niet meer discussiëren. “Wingewest moet van zich afbijten”, kopte het Dagblad van het Noorden vanochtend op de voorpagina.

Teleurstellend, verhullend en meer van hetzelfde. Compleet tekortschietend. Kamps mooie woorden over veiligheid in Groningen zijn loos zolang zijn daden de onveiligheid in stand houden. 7,3 procent minder gas, roept Kamp. Dat is een vermindering van 42,5 miljard kubieke meter naar 39,4 miljard m3. De Groningse eis is om in ieder geval minder dan 30 miljard m3 gas te winnen, maar het Staatstoezicht op de Mijnen berekende in 2013 dat de schadeveroorzakende bevingen pas echt voorkomen worden bij een reductie tot 12 miljard m3.

De staatskas gaat boven de Groningse veiligheid, dat is duidelijk. De dreiging van een zwaardere beving in Groningen blijft in de lucht (of misschien liever: in de grond) hangen. De voorspelde beving van 5,0 op de Schaal van Richter zou 25x zwaarder zijn dan de zwaarste tot nu toe in augustus 2012 bij Huizinge. Hetzelfde Staatstoezicht berekende de gevolgen daarvan: instortingsgevaarvoor 1200 huizen en circa 110 doden.  De kans van “eens in de 166 jaar” klinkt geruststellend, maar het kan ook overmorgen gebeuren.

Vervolgacties worden gepland. De Groninger Bodembeweging stapt naar de Raad van State. Wordt vervolgd, wordt vervolgd.

Erik de Graaf

maandag 15 december 2014

Zoektocht naar een Leninhorloge


Het Nationaal Historisch Museum van Slovenië heeft een Leninhorloge in haar collectie. Op de wijzerplaat staat het portret van de communistische voorman afgebeeld. De wijzers worden gevormd door een hamer en een sikkel en vanuit Lenins mond trekt in twaalf uur tijd de tekst “Proletarier alle Länder vereinigt Euch” voorbij.

Volgens het museum in Ljubljana was het horloge ooit bezit van de Sloveense communistische mijnwerker Andrej Forte. Hij zou het uurwerk rond 1930 cadeau hebben gekregen van de Nederlandse communist Albert Potze. Potze werd in 1898 geboren in de buurt van het Groningse Vlagtwedde. Rond zijn twintigste vertrok hij als een van vele andere Groningse arbeiders voor werk naar de Limburgse mijnen. Daar ontmoette hij Forte, die in de jaren dertig met een groep landgenoten in Heerlen in de mijnen werkte.

Volgens het Sloveense museum had Albert Potze vijf Leninhorloges gekregen toen hij in 1925 voor de Vijfde Communistsche Internationale in Moskou was. Hij zou zelfs secretaris van die Comintern zijn geweest. Dat lijkt me sterk. Potze was vooral een regionaal politiek agitator met de bijnaam "de Stalin van Limburg”. Wel nam hij rond 1930 een keer deel aan een communistische kadercursus in Moskou. In de jaren dertig was hij actief voor de Internationale Rode Hulp, een met de Comintern verbonden organisatie, die communistische vluchtelingen hielp voor de nazi’s van Duitsland naar Nederland te vluchten.

Inmiddels blijkt ook het Haus der Geschichte in Stuttgart een Leninhorloge te bezitten. Het is identiek aan het Sloveens horloge. Het Duitse lijkt alleen veel beter geconserveerd dan het Sloveense (daarom staat hierboven een foto van het Duitse exemplaar). In Stuttgart wordt de horlogemaker Georg Kessler uit het Zuid-Duitse Schwenningen als maker van het uurwerk opgevoerd. Kessler werd in de jaren twintig lid van de Duitse communistische partij KPD. In dezelfde tijd maakte hij de Leninhorloges.

Hoeveel Leninhorloges Kessler maakte is onbekend. Hoe er vijf in bezit van Potze kwamen is eveneens de vraag. Kreeg hij ze in Moskou? Of in Duitsland, waar hij goede partijcontacten had? Wie het weet mag het me schrijven

Erik de Graaf

PS: met dank aan Galina Litman uit Basel.

zaterdag 13 december 2014

Lech Walesa in de lift


Op de dertiende december denk ik vaak even aan de dag in 1981 dat de Poolse hoop op vrijheid vervloog doordat generaal Jaruzelski met Russische achterwacht de noodtoestand afkondigde. “Nieuwe militaire raad", hoorde ik die zondagochtend op de radio. De vrije vakbond Solidarnosc van Lech Walesa was voorlopig buitenspel gezet.

Vorige maand stond ik in Berlijn met een stuk of vijftien Oost-Duitse oud-dissidenten in de lift van het Max-Liebermann-Haus naast de Brandenburger Tor. Op de tweede verdieping zouden we geïnstrueerd worden hoe we ter gelegenheid van vijfentwintig jaar “Mauerfall” ballonnen voor de vrijheid moesten oplaten. De zwaarbeladen lift ging moeizaam omhoog. Tussen de begane grond en de eerste verdieping vroeg iemand zich zelfs af of we naar boven of naar beneden gingen. Toen we eindelijk het gevoel kregen te stijgen stopten we op de tussenverdieping. Daar stapte Lech Walesa, de corpulente oud-Solidarnoscleider en oud-president van Polen, in. Hij moest voor dezelfde instructie naar de tweede. Er ging een gejoel op in de zwaarbeladen lift.

De deur kon nog net dicht, maar de lift kwam geen milimeter meer omhoog. "Noodtoestand”, dacht ik. In gedachten zag ik hoe de ballonnen het Berlijnse luchtruim ingingen, terwijl wij als bakstenen terug zouden zakken naar de begane grond. Zover kwam het gelukkig niet. Na een halve minuut ging de liftdeur weer open en stapte Walesa uit. De deur sloot zich weer en de lift kroop moeizaam naar de tweede verdieping, waar Walesa allang lopend was gearriveerd.

Erik de Graaf

donderdag 11 december 2014

Reis door mijn darmen


Koos de Graaf was mijn grootvader. Hij overleed op zijn zevenenvijftigste aan darmkanker. In 1951 was dat, zeven jaar voor mijn geboorte. Kees de Graaf was zijn zoon, is mijn vader. Hij hoorde op zijn zevenenvijftigste dat hij darmkanker had en dacht dat zijn laatste uur geslagen had. Hij had niet met de medische vooruitgang gerekend. Na een operatie en flink wat kuren werd hij genezen verklaard.

Over een maand word ik zevenenvijftig. Mijn huisarts vond dat ik met mijn familiegeschiedenis vanaf mijn vijftigste om de zes jaar mijn darmen moest laten lezen. Voor de tweede keer dronk ik gisteren en vanochtend vier liter van een smerige laxerende drank, die me op een of andere manier steeds aan behangerslijm doet denken (terwijl ik die toch nog nooit gedronken heb). Dat was om mijn dikke darm leeg te spoelen om hem schoon aan de maag-, darm- en leverarts te tonen.

Om tien uur vanochtend lag ik op mijn linkerzij en zag op een beeldscherm naast mijn ziekenhuisbed hoe een camera en een lampje een fascinerende reis maakten door mijn anderhalve meter lange dikke darm, die in een omgekeerde U-vorm in mijn buikholte ligt. De route liep van de endeldarm tot aan de dunne darm en weer terug. Zalmroze welvingen passeerden het beeldscherm met her en der een zonnebloempit die het geweld van de “behangerslijm” had weerstaan. De ringvormige insnoeringen, die mijn voedsel dagelijks door mijn interne sluizencomplex leiden, leken op malse inktvisringetjes.

Het zag er prachtig uit. En gezond. Het ziet er niet naar uit dat ik mij op mijn zevenenvijftigste een familietraditie voortzet. Dat lucht toch op.

Erik de Graaf

zaterdag 15 november 2014

Honderd mark begroetingsgeld retour


In het weekend na de val van de Muur in 1989 reisde ik naar Berlijn. Ik moest van dichtbij zien hoe de ossies het westen veroverden. Ik ontmoette mijn Oost-Berlijnse vrienden voor het eerst in West-Berlijn. In het Kuckucksei, een kroeg in de Kreuzberger Wrangelstraβe. Het waren emotionele momenten.

Het was ook vervreemdend om in Berlijn te zijn. Om duizenden Oost-Duitsers over de Oberbaumbrücke richting Kreuzberg te zien lopen. Aan het eind van de brug, net op West-Berlijnse bodem, was provisorisch een kantoor ingericht waar de gasten uit het oosten hun Begrüβungsgeld konden incasseren. Voor iedere ossie had de bondsregering honderd harde West-Duitse marken (omgerekend 50 euro) klaarliggen om de hoogste nood te lenigen.

Het Begrüβungsgeld kwam voort uit de zogenaamde Ostverträge van bondskanselier Willi Brandt met de DDR uit 1970. Die zorgden weliswaar voor iets meer reismogelijkheden (van vooral ouderen) uit het oosten naar het westen, maar die Oost-Duitsers mochten van hun regering maximaal 70 Oost-Duitse marken mee op reis nemen. De West-Duitse regering stelde voor alle Duitsers uit de DDR en de voormalige Duitse gebieden in Polen een bedrag van 30 mark (15 euro) per persoon beschikbaar, dat tweemaal per jaar in de Bondsrepubliek kon worden opgestreken.

Toen de DDR het bedrag dat haar onderdanen naar het westen mochten meenemen in 1987 van 70 mark terugbracht tot 15 verhoogde West-Duitsland het Begrüβungsgeld tot 100 mark jaarlijks. In 1988 werd 260 miljoen mark uitbetaald aan Oost-Duitse reislustigen. Dat bedrag werd ook voor 1989 begroot. Door de Val van de Muur liep dat bedrag alleen al in november en december 1989 op tot naar schatting 3 á 4 miljard mark.


Anna Thalbach, actrice en presentatrice, biechtte vorige week tijdens de feestelijke viering van de val van de Muur in het Schauspielhaus aan de Gendarmenmarkt in Berlijn op dat ze het begroeitngsgeld tweemaal had geïncasseerd, omdat er in de drukte in de dagen na 9 november 1989 bij de eerste keer geen stempel in haar paspoort was gezet. Ze bood in hoog gezelschap aan de vijftig euro nu terug te betalen.

Erik de Graaf

dinsdag 11 november 2014

Mauerfest Berlijn: nu alle andere muren nog


Altijd weer naar Berlijn. Vanaf afgelopen donderdag liep ik er weer een lang weekend rond. Speciaal voor de herdenking van de Val van de Muur op 9 november 1989, op uitnodiging van mijn vrienden uit de oude DDR-oppositie.

Vrijdagavond was ik bij de officiële opening van de herdenkingsfestiviteiten bij de Marschallbrücke over de Spree bij de Rijksdag. De Berlijnse burgemeester schakelde daar een Lichtgrenze van achtduizend ballonnen in, die drie dagen het verloop van vijftien kilometer voormalige en grotendeels verdwenen Berlijnse Muur verlichtten. Na een korte wandeling langs de Spree voer ik als gast van de organisatoren van de Lichtgrenze met een boot van het nieuwe Hauptbahnhof naar de Oberbraumbrücke, die tot 1989 de Oost-Berlijnse wijk Friedrichshain van het West-Berlijnse Kreuzberg scheidde.

De Lichtgrenze verlichtte het vroegere verloop van de Berlijnse Muur sprookjesachtig. Dat was in enorme tegenstelling tot de kale, grauwe en mensonterende werkelijkheid van voor 1989. Vooral in de buurt van de Brandenburger Tor is de historische situatie door de bouw van het nieuwe Regierungszentrum onherkenbaar veranderd. Aan de rauwe historie werd alleen nog herinnerd door honderd vitrines met net zoveel verhalen over de geschiedenis van de Muur. Op diverse plekken langs de Muur werd dit weekend een indrukwekkende film vertoond over veertig jaar Duitse deling. Bijna nog indrukwekkender was het om met de rug naar het scherm het ademloze publiek te bekijken. Jong en oud staarden verbijsterd naar de film.


Zaterdagavond voerden mijn vrienden uit de Oost-Duitse oppositie gasten uit de hele wereld langs historische plekken van de Koude Oorlog. In mijn groepje liep de Amerikaanse astronaut Ron Garon mee, die Europa in 2011 zes maanden vanuit het ruimtestation ISS bekeek. Toen Tom Sello vertelde dat hij en ik elkaar in 1982 als War Resisters over de Muur heen hadden ontmoet keek de F-16-piloot uit de tweede Golfoorlog even raar op. De Vredesnobelprijswinnaar Mohammed Yunus (van de microkredieten) reageerde een stuk enthousiaster. Overigens hield Yunus tijdens een “goede, maar weinig voedzame maaltijd” (zo schijnt het te horen op dat niveau) een pleidooi om delen van de Muur opnieuw op te bouwen om de jeugd te tonen waarom landen, volken en families nooit meer door zo’n obstakel gescheiden mogen worden. Hij hekelde de haast van de Duitsers om de Muur bijna volledig af te breken. 

Aan het slot van de "karige" sterrenmaaltijd hoorde ik dat ik zondagavond tijdens het grote Muurfeest vanaf het grote podium bij de Brandenburger Tor één van de achtduizend ballonnen van de Lichtgrenze mocht oplaten. Zo liep ik tussen een twintigtal DDR-oppositionelen achter onder andere Gorbatsjov, bondspresident Gauck en Walesa het podium op om samen met de dertienjarige Sofi uit Berlijn-Friedrichshain een ballon met een boodschap op te laten. Mijn boodschap was dat “nu alle Muren maar eens tegen de vlakte moeten, zowel de materiele muren als de muren in onze hoofden, zodat de vrijheid ALLE mensen gaat verbinden”. De val van de Muur heeft een gure Koude Oorlog beeindigd, maar daarmee is helaas nog lang niet alle ellende uit de wereld verdreven. Hopelijk kunnen we “Mut zur Freiheit” (de leus van het feest bij de Brandenburger Tor) ook in andere delen van de wereld opbrengen.

Het was een bijzonder weekend in Berlijn. Nu maar weer even gewoon doen.

Erik de Graaf

maandag 3 november 2014

Egon Krenz: verdorven grijsaard


De Rijksuniversiteit Groningen herdenkt de Val van de Berlijnse Muur en nodigde Egon Krenz uit als hoofdgast. Pijnlijk. Vanavond sprak de laatste DDR-leider in het Academiegebouw in Groningen over veertig jaar DDR-dictatuur en het einde van zijn staat. Ik was er niet bij, had er geen zin in, maar begrijp uit eerste reacties dat Krenz weer “ouderwets” op dreef was:

“Teleurstellend verhaal - geen afstand, geen reflectie, alleen maar een ... een nieuwe muur van halve waarheden rond zijn eigen functioneren. Krenz heeft namelijk nooit een fout gemaakt”, schreef Joost Eskes me vanavond al.

Een week of zeven was Krenz slechts de hoogste DDR-leider, van half oktober tot begin december 1989. Het aantreden als opvolger van de uitgerangeerde Erich Honecker veroorzaakte angst in de periode van vreedzame protesten in de DDR. De demonstranten herinnerden zich dat Krenz begin oktober nog te gast was bij het 40-jarige jubileum van de Volksrepubliek China, waar net de vier maanden eerder de bloedige slag op het Plein van de Hemelse Vrede had plaatsgevonden.  De demonstranten vreesden voor een “Chinese oplossing” in Oost-Duitsland.  

In de jaren negentig werd Krenz veroordeeld tot zesenhalf jaar gevangenisstraf voor zijn rol als “Schreibtischtäter” bij moorden aan de grens tussen de twee Duitslanden. Veel berouw van zijn politieke carrière heeft Krenz nooit getoond. Vanavond in Groningen  dus ook niet, begreep ik.

De kritische Wolf Biermann wijdde op een legendarisch concert in december 1989 in Leipzig een strofe aan Egon Krenz in zijn “Ballade von den verdorbenen Greisen”:

Hey Krenz, du fröhlicher kalter Krieger
Ich glaub dir nichts, kein einziges Wort
Du hast ja die Panzer in Peking bejubelt
Ich sah dein Gebiss beim Massenmord
Dein falsches Lachen, aus dir macht Fritz Cremer
Ein Monument für die Heuchelei
Du bist unsre Stasi-Metastase
Am kranken Körper der Staatspartei

Wir wollen dich nicht ins Verderben stürzen
du bist schon verdorben genug
Nicht Rache, nein, Rente!
im Wandlitzer Ghetto
und Frieden deinem letzten Atemzug

Meezingen met Biermann kunt u door boven de tekst op de link te klikken. Zing mee uit volle borst!

Erik de Graaf

PS: vijf jaar geleden schreef ik ook een stukkie over Krenz.- de foto is van Siegfried Wittenburg

zaterdag 1 november 2014

Grensgeval: Stasi-spion Rudolf Ritter en het verdwenen diarolletje


Op 21 juni 1985 fotografeerde ik in de woning van mijn Oost-Berlijnse vriend Uwe een tiental pagina’s van een discussiestuk over de onafhankelijke vredesbeweging. Het diarolletje zou in West-Berlijn worden ontwikkeld om de teksten vervolgens uit te typen, te vermenigvuldigen en te verspreiden onder deelnemers aan enkele vredeskampjes in Tsjechoslowakije.

Mijn herinnering aan die warme zomerdag zou diep zijn weggezakt als ik niet zes jaar later in mijn Stasidossier zou hebben gelezen dat Uwe kort na mijn vertrek naar West-Berlijn bezoek had gekregen van Sinico Schönfeld, die de laatste tijd vaak belangstelling toonde voor contacten van onafhankelijke Oost-Duitse vredesgroepen met vredesactivisten uit West-Duitsland en Nederland.

Jaren later bleek dat Sinico Schönfeld onder de schuilnaam Rudolf Ritter voor de Oost-Duitse geheime dienst Stasi had gespioneerd. Eerst had hij zich moeten bewijzen, maar in 1983 raakte de Stasi overtuigd van Schönfelds “goede inborst”. “De door de informant verzamelde informatie leidde tot verhindering van een onwetmatige vluchtpoging uit de DDR en tot de arrestatie van twee personen”, zo staat het in een Stasi-analyse van Schönfelds activiteiten.

Vanaf september 1983 was Schönfeld volwaardig Stasi-informant. Hij bespioneerde de Umweltbibliothek in Oost-Berlijn en vele oppositiegroepen zoals de Initiative für Frieden und Menschenrechte. Hoe diep Schönfeld in de DDR-oppositie kon infiltreren blijkt uit het feit dat hij in 1988 in een onbewaakt ogenblik een dagboek van de Oost-Duitse dissidente Bärbel Bohley kopieerde met apparatuur van de weduwe van dissident Robert Havemann. Of in Stasitaal: “Unter Ausnutzung einer günstigen Situation fotokopierte er das “England-Tagebuch” von Bärbel Bohley”.


Op die mooie zomerdag in juni 1985 hoorde spion Rudolf Ritter dat ik kort voor zijn komst het Oost-Duitse discussiestuk had gefotografeerd “om het uit de DDR te smokkelen met als doel het te verspreiden in het NSA” (Stasi-afkorting voor: niet-socialistisch buitenland). In een Stasi-rapport van 1986 lees ik verder dat de afdeling HA (Hauptabteilung) VI, afdeling Recherche bij navraag bevestigde dat De Graaf die dag naar Oost-Berlijn was gekomen, maar ook alweer vroeg via Bahnhof Friedrichstrasse was uitgereisd. Met andere woorden: ze waren te laat om mijn diarolletje te onderscheppen.

Erik de Graaf

donderdag 30 oktober 2014

Galgenveldje


Ter Verpoozing was in 1927 het “Populair letterkundig wekelijksch bijblad van het Nieuwsblad van het Noorden”. Op 9 juli van dat jaar bracht het toenmalige cultureel katern een stuk Warffum als “Athene van het Noorden”.

Het artikel had aandacht voor de pastorie, het klooster, de Warffumerborg en het galgenveldje bij het kruispunt in ’t Honnust, waar nog steeds de drie wegen uit Baflo, Den Andel en Warffum samenkomen. Nog steeds is daar een driehoekig weilandje herkenbaar dat lang het galgenveldje werd genoemd, omdat er vroeger moordenaars, boeven en andere wetsovertreders gevonnist en terechtgesteld werden.

De laatste keer dat daar iemand “ter dood werd veroordeeld en gebracht” was bijna drie eeuwen geleden. In juli 1719 veroordeelde de plaatselijke redger Van Bolhuis de “dode” Anje Peters, omdat ze na een ongelukkige liefde zelfmoord had gepleegd “door zich met een mes den hals af te snijden”. Volgens oud Ommelander landrecht moesten zelfmoordenaars tot “pulver” worden verbrand. 

Brandstapels waren wat uit de mode geraakt, maar als  afschrikwekkend voorbeeld voor potentiële zelfmoordenaars kreeg de ongelukkige dienstmeid uit Warffumer herberg “De Kolde Winter” een eerloze begrafenis door beulshanden. Voor die taak werden de scherprechter Frans Snijders en zijn helpers uit de stad Groningen gehaald, die het lijk van Anje Peters onder grote publieke belangstelling in een graf op het galgenveldje legden, samen met het mes waarmee ze zichzelf om het leven had gebracht.


Tegenwoordig lijkt niets meer aan het galgenveldje te herinneren. Op de plek worden nu automobilsten door de gemeente Eemsmond welkom geheten. Heel vreedzaam ziet het er echter ook vandaag de dag niet uit.

Erik de Graaf


zondag 26 oktober 2014

Grensgeval: de Groningse Muur (1986)


In augustus 1986 bestond de Berlijnse Muur 25 jaar. De Werkgroep Antimilitarisme Overal en de Oost-Westgroep van de Vredeswinkel organiseerden ter gelegenheid van dat jubileum een Muuractie in de Groningse binnenstad. 


Op een drukke zaterdagmiddag werd een zelfgemaakte Muur van de Vredeswinkel naast de Martinitoren over het terras van de Kosterij naar de Herestraat gedragen. Daar verdeelde het bouwwerk korte tijd "Groningen-West" van "Groningen-Oost". Vredesbewegers maakten karikaturen van de Amerikaanse en Russische tegenstanders uit de Koude Oorlog. Als NAVO- of Warschaupact-soldaten paradeerden ze langs hun kant van de Groningse Muur. Leus van de dag: “Ieder heeft z’n steentje bijgedragen!” Ontwapen en begin bij jezelf.


Ludieke actie in augustus 1986 in Groningen, maar met serieuze ondertoon. Niemand kon toen vermoeden dat het symbool van de Koude Oorlog al drie jaar later tegen de grond zou gaan. Mooi voorbeeld van een succesvolle actie, zullen we maar zeggen.

Erik de Graaf

donderdag 23 oktober 2014

Warffum - het Athene van het Noorden


“Warffum – een der schoonste dorpen van Noord-Groningen – wordt wel eens het Athene van het Noorden genoemd. Deze eerennaam verkreeg het door de vele instellingen op onderwijsgebied, die het vroeger bezat. Naast een R.H.B.S. bezat Warffum een bloeiende Rijks Normaalschool, terwijl het eerste landbouwonderwijs indertijd in Warffum gegeven werd.
In dit Noordsch Athene werkte de bekende historicus en oudheidkundige Dr. Westerhof. Hier voltooide de taalkundige Molema zijn bekend geworden Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw.”

Op 9 juli 1927 publiceerde Ter Verpoozing, het “Populair letterkundig wekelijksch bijblad van het Nieuwsblad van het Noorden” een flink stuk over Warffum, waarin de status van het dorp kernachtig werd weergegeven. Niets overdreven, zoals u begrijpt. Al vele jaren staat er op een bureau in Warffum een standbeeld van de Atheense filosoof Socrates.

Erik de Graaf

zaterdag 18 oktober 2014

Trouw Feyenoordfan


Gisteren kwam mijn collega-historicus en –blogger Harry Perton er na 43 jaar mee voor de draad dat hij in 1971 definitief voor Ajax had gekozen, nadat Coen Moulijn hem bij het handtekeningenjagen in Assen had uitgescholden en hard was weg gedribbeld. Ik vraag me dan toch af hoe Harry indertijd om Coens handtekening vroeg. Ik kende mijn favoriete linksbuiten als een uiterst beminnelijk man, die me van harte welkom heette in zijn herenmodezaak in Rotterdam-Zuid als ik hem om een handtekening kwam  vragen. Terwijl hij toch onmiddellijk moet hebben gezien dat ik op mijn elfde nog niet in de kleinste herenmaat uit zijn assortiment paste.

Vanochtend verraste Harry me per post met twee voetbalboeken uit 1970, waarin het topseizoen 1969-1970 van alle kanten werd belicht. Hij maakte nu blijkbaar echt schoon schip. Ik heb Harry hartelijk bedankt en hem aangegeven dat ik de werkjes met mijn hele Phida Wolff Topclub Feyenoord-oeuvre als trouw Feyenoordfan ooit zal meenemen in mijn kist. Dat betekent overigens dat ze uiteindelijk in de vaargeul van Noordpolderzijl zullen worden verstrooid, wat dan toch weer als "jammer voor die boeken" klinkt.

Zelf voel ik geen enkele aansporing om mijn favoriet club aan de kant te zetten. Er is ook geen reden. Na een slechte seizoensstart worden we weer gewoon tweede, omdat we net een weekje te laat op stoom kwamen om Ajax in te halen. Vervolgens worden we leeggekocht en gebeurt er volgend seizoen weer hetzelfde. Tsja, mijn voorkeur zit diep, maar wat wil je?

-          - Wie kan er zeggen dat hij ooit het winnende doelpunt voor Feyenoord maakte? Ik.
-          - Wie kan er zeggen dat hij met Happel in de lift stond en een glaasje prik van Van Hanegem kreeg? 
-          - Wie kan er vertellen dat het halve Feyenoordelftal in 1970 naar zijn fietssleutel zocht? Ik (hoewel ik Harry wel moet toegeven dat Coen Moulijn in geen velden of wegen te zien was toen ik hem hard nodig had).
-          - Wie kan er zeggen dat  hij van Vlaardingen naar Rotterdam-Zuid fietste voor een handtekening van Coen in zijn herenmodezaak aan de Langenhorst? Ik.
-          - Wie ging er, waarschijnlijk als eerste en als laatste persoonlijke fan, bij rechtsback Piet Romeijn  op bezoek in zijn driehoogflatje aan de Van Hogenbanweg? Ik.
-          - Wie zette de beste Kindvallhandtekeningen in zijn Kindvallplakboek? Niet Kindvall, maar ik.
    
Tegenwoordig kijk ik alleen naar Studio Sport als ik zeker weet dat Feyenoord gewonnen heeft. Dat was niet vaak de laatste tijd, maar ik verheug me op de rest van het seizoen.

Erik de Graaf

woensdag 15 oktober 2014

Grensgeval: gered in Roemenië (met dank aan Cruyff)


In 1980 reisde ik in mijn uppie met rugzak door Oost-Europa. Liftend, lopend en met bus en trein. Waar ik aankwam liet ik me verrassen door de omstandigheden. Meestal leidde dat tot leuke ontmoetingen en uitnodigingen voor eten en overnachtingen. Er was echter één probleem: bij een reis door het Roemenië van Ceausescu kocht je bij entree een visum, waarop je je route vervolgens van dag tot dag moest bijhouden. Bij elke camping of hotel kwam er een nieuw stempel in het visum als bewijs van goed overnachtingsgedrag. Logeren bij particulieren was verboden in Ceausescu's rijk en bovendien niet goed voor de carrière van de gastvrije Roemeen.

Dat ging al op de eerste dag mis toen ik buiten het dorp Bratca in het westen van Roemenië werd aangesproken door twee jongens, die me in de drukte rond het station uit persoonlijke veiligheidsoverwegingen hadden genegeerd. Ik kon wel bij hen overnachten, vertelden ze nu. Na een woeste Transylvaanse avond met muziek, dans, zelfgemaakte wijn en palinka en boeiende gesprekken over het leven in oost en west kreeg ik de logeerkamer toegewezen. De drie volgende nachten logeerde ik bij Ovidiu in Cluj-Napoca, die jaloers las dat mijn paspoort "valid for all countries in the world" was. In Sibiu stond mijn tentje officieel op de camping, maar logeerde ik zelf bij een familie van Duitse afkomst, die Sibiu hardnekkig Hermannstadt noemde.

Later huurde ik een kamer bij een oude vrouw in Busteni, aan de voet van de bergen. Ze verzorgde me geweldig, maar een stempel kon ze me niet leveren. Mijn bagage liet ik een paar dagen bij haar achter toen ik met twee Roemeense dienstplichtigen de bergen inging. Hun adressen kreeg ik niet. Dat leek hen te gevaarlijk. Officieel waren we tenslotte vijanden en de Securitate zag veel. In Boekarest vond ik uiteindelijk een hotel. En daarmee een stempel in mijn visum.

Na veertien dagen Roemenië had ik vijf officiële stempels. Dat leidde tot flink oponthoud aan de grens met Bulgarije. Daar bleek het een hele klus duidelijk te maken uit welk land ik kwam, hoevaak ik ook Holland, Golland of Hollandia zei. Blijkbaar maakten niet veel West-Europeanen gebruik van de kleine grensovergang bij Călărași. De eerste grenswachten kwamen er niet uit. Er moest een hogere worden gehaald. Die bekeek mijn paspoort van alle kanten, wees zijn onderdanen allerlei informatie uit mijn pas aan, maar er leek ook iets niet te kloppen. Ten einde raad riep hij de hulp van een nog hogere grenswacht in. Die liet een poosje op zich wachten, omdat hij uit een plaatsje uit de buurt moest komen. Ik had genoeg tijd om me zorgen te maken. Hoe redde ik me hier uit?

De hoogste beschikbare grenswacht kwam, zag en overwon. Hij bladerde door mijn paspoort. Van voor naar achter en van achter naar voor. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. "Ah, Kroeijeff!" Hij sloeg me op de schouder. Ja, Kroeijeff, lachte ik opgelucht terug. Hij bood me een Roemeense sigaret aan en als niet-roker betrad ik even later paffend Bulgaarse grond. Met eeuwige dank aan Cruyff.

Erik de Graaf

maandag 13 oktober 2014

Grensgeval: het Elfde Congres van de SED en rabarberwijn


In 1986 kreeg ik een “publicatieverbod” bij de Frankfurter Rundschau. Ik had nog nooit iets voor die krant geschreven, was het ook niet van plan, maar toch stonden alle lichten er voor mij op rood, begreep ik. Hoe kwam dat? Eigenlijk door de rabarberwijn.

Midden april 1986 vond de XI. Parteitag der SED plaats. De Oost-Duitse communistische partij zette de koers uit voor het volgende Vijfjarenplan tot 1991. Geen partijlid vermoedde dat de DDR de einddatum van dat Plan niet meer zou halen, hoewel Gorbatsjov er wel wat kritische noten kwam kraken.

In de aanloop naar dat partijcongres schreven 21 Oost-Duitse dissidenten een brief aan partijleider Erich Honecker, het Politbüro en de partijkrant Neues Deutschland. Ze bekritiseerden dat mensen met een van de officiële partijlijn afwijkende mening werden gecriminaliseerd en deden voorstellen om tot een dialoog te komen. Dan moest de SED hen wel tegemoet komen in kwesties als mensenrechten, milieuvraagstukken en militarisering, vonden de 21. En passant deden ze alvast het voorstel om als DDR uit het Warschau Pact te stappen.

Het zal u niet verbazen, de partij “die immer Recht hatte” reageerde niet op de brief, waarop de dissidenten hem zelf publiek maakten. Kort daarop werd erover bericht in de West-Duitse pers, onder andere in de Frankfurter Rundschau.

Kort voor het SED-congres zat ik met twee vrienden in een woonkamer in de Oost-Berlijnse Fehrbellinerstraβe in Prenzlauer Berg. Een van hen, Uwe, was een van de 21 ondertekenaars en vertelde over de eindeloze discussies die aan het opstellen van de toen nog onbekende brief vooraf waren gegaan. Terwijl Tom nog een fles zelfgemaakte rabarberwijn openmaakte vertelde Uwe dat hij een aanvulling op papier had gezet, omdat hij de brief aan het congres niet ver genoeg vond gaan. Hij las de brief voor en vroeg me of ik hem mee naar West-Berlijn wilde nemen en aan Roland Jahn wilde geven. Die zou hem weer door kunnen geven aan de pers, dacht hij. Tom en ik vroegen ons af hoe verstandig dat was. De brief van de 21 ging al vrij ver en kon al tot een fikse periode gevangenis leiden. Dat de 21 het achterste van de tong niet lieten zien snapten wij wel.

Naarmate de bodem van de tweede fles rabarberwijn in zicht kwam werd Uwe steeds vastberadener. We kwamen overeen dat ik de brief mee zou nemen om bij Roland in West-Berlijn af te geven. Ik zou hem dan in overweging geven of het verstandig was de aanvulling in het westen te publiceren.

Die nacht smokkelde ik Uwe’s geheime aanvulling op de brief in mijn onderbroek via Bahnhof Friedrichstraβe over de grens naar West-Berlijn. Door de rabarberwijn vond ik het op een of andere manier helemaal niet spannend. Tegelijkertijd bleek het een goede vermomming, want de grensagenten verwachtten blijkbaar niet dat iemand in kennelijke staat zo’n riskante brief naar West-Berlijn zou smokkelen.

Terug in West-Berlijn ging ik eerst bij Roland in de Görlitzer Straβe langs om de brief af te leveren. Al enigszins ontnuchterd vertelde ik dat het volgens mij niet verstandig was de brief te publiceren. Roland zou wel zien wat hij ermee deed, zei hij.

In de week van het partijcongres verscheen ook Uwe’s brief in de Frankfurter Rundschau, precies zoals hij bedoeld had als aanvulling op de brief van de 21. Onder Oost-Duitse dissidenten brak de pleuris uit. Uwe werd kwalijk genomen dat hij de eenheid had verbroken en hen in extra gevaar had gebracht. De Frankfurter Rundschau werd verweten dat ze de aanvulling had gepubliceerd. Roland kreeg de schuld, maar schoof de verantwoordelijkheid naar mij. Dat vond ik niet erg, want een “publicatieverbod” bij de Frankfurter Rundschau, wat dat ook mocht betekenen, kon mij niet deren. Ik ben wel benieuwd of het inmiddels is opgeheven.

Erik de Graaf

donderdag 9 oktober 2014

Aankomst van Belgische vluchtelingen in Warffum


“Hes ’t ook aal heurd? Der komen hier vluchtelingen!”

In zijn half-Groningse roman “Koos” schreef Benjamin Broekema in 1938 hoe zijn hoofdpersoon (maar in feite was hij het zelf) hoorde van de komst van Belgische vluchtelingen naar Warffum. Zijn vriend Wiebe vertelde dat ze werden ondergebracht in het oude gebouw van de werkverschaffing aan het water bij de Warffumer Maar. “Mit drei uurs train komen der hier aal vluchtelingen”, wist Wiebe. Het moet ergens in de loop van 1914 zijn geweest.

Na schooltijd renden de jongens onmiddellijk naar het station, waar al tientallen nieuwsgierigen de komst van de vertraagde trein afwachtten. Een oude man stapte het eerst uit, lees ik in de roman. Gevolgd door een paar meisjes, hun moeders en een paar jongens met bleke gezichten. “O, barbaarse wereld, blind van kruitdamp, rood van bloed! Hulpeloze mensen stonden in den vreemde, de nood op hun gezichten, wazig bleek…”, schreef de joodse Warffumer aan de voorafgaand van een nieuwe wereldramp, die hem zelf in 1942 in Auschwitz fataal zou worden.

De commissie van ontvangst had een welkomstwoord voorbereid, “maar in ‘t gezicht van deze nameloze ellende stonden ze sprakeloos. Iemand trachtte te spreken, maar hij kon nauwelijks iets stamelen....” Toen Koos de stoet vluchtelingen naar hun onderkomen zag gaan, stil gadegeslagen door de dorpelingen, stelde hij zich voor hoe hij zelf door een vreemd land zou lopen, aan de hand van zijn moeder. 

Erik de Graaf

PS: Eerder schreef ik een stukkie over Belgische vluchtelingen in Warffum op deze blog. Van het genoemde boek van Benjamin Broekema, “Koos. Een verhaal uit het Groninger dorpsleven”(Leek, 1938)  verscheen in 2004 een herdruk met een voorwoord van Pauline Broekema (geen familie).

dinsdag 7 oktober 2014

Grensgeval: Bahnhof Friedrichstraβe in Berlijn


Op 9 november is het vijfentwintig jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. Pats! Boem! Daar lag ie. Niemand had het verwacht. Ja, op termijn misschien, maar niet van de ene op de andere dag door een verspreking van een Oost-Duitse partijbons. Het was feest in Berlijn. Zelf hoorde ik het pas de volgende ochtend op de radio. De Muur gevallen. Onvoorstelbaar. Een paar dagen later was ik onderweg naar Berlijn om te zien of het echt waar was.

Ruim tien jaar lang reisde ik tussen West en Oost. Naar de DDR, naar Tsjechoslowakije, Hongarije, Polen, Roemenië, Bulgarije, maar meestal vanuit West-Berlijn naar Oost-Berlijn. ’s Ochtends via Bahnhof Friedrichstraβe of via Checkpoint Charly oostwaarts. Vijf D-Mark visumkosten en vijfentwintig DM verplicht wisselgeld in Ost-Mark. Op bezoek naar mijn vrienden in Oost-Berlijn. En ’s avonds weer terug via dezelfde grensovergang. Liefst vlak voor twaalven. Een paar minuten na middernacht kon tot een hoop grensellende leiden.


Tientallen keren reisde ik van West naar Oost en weer terug. Honderden keren misschien, wie zal het weten. Tientallen of honderden keren maal dertig DM. Tot mijn laatste Pfennig. Na de val van de Muur in 1989 reisde ik niet minder vaak naar Berlijn. Ik moest erheen. Om bij te praten, op de hoogte te blijven. Ik merkte dat al die grenservaringen me niet in de koude kleren waren gaan zitten. In 2000 bijvoorbeeld in het Haus für Geschichte in Bonn, waar de Grenzübergangstelle (Güst in DDR-jargon) Friedrichstraβe was nagebouwd. Het zweet brak me uit. Twee jaar geleden overkwam me hetzelfde in het Tränenpalast bij Bahnhof Friedrichstraβe, waar tegenwoordig een tentoonstelling over de grensovergang te zien is (zie foto's uit 2012). Zelfs de geur van het reinigingsmiddel waarmee de hele DDR gepoetst werd drong mijn neusgaten weer in.


Vele grenservaringen, net zoveel grensverhalen. Vijf jaar geleden schreef ik veel blogs toen de Muur twintig jaar eerder gevallen was. Daarna heb ik mijn "Koude Oorlogstrauma" wat opzijgezet. Tot ik vanochtend door een journalist werd ondervraagd voor een bijlage over vijfentwintig jaar val van de Muur. Ineens kwamen de verhalen weer boven. Over een naar Oost-Berlijn gesmokkeld boek, over een dissidente verklaring in een onderbroek, over rabarberwijn en een Knoblauchfahne. En over een fotorolletje, waarover ik jaren later las dat de Stasi het ook graag had willen hebben. De komende maanden zal ik hier een paar van die grensverhalen vertellen.

Erik de Graaf

vrijdag 3 oktober 2014

Tag der deutschen Einheit

Vierentwintig jaar geleden werden Oost- en West-Duitsland formeel één. Sindsdien heeft Duitsland er op 3 oktober een vrije nationale feestdag bij: de Tag der deutschen Einheit. Vandaag dus.

Een paar weken vóór de definitieve eenwording fietste ik tien dagen door de zich opheffende DDR. Door de oostelijke Harz naar Thüringen, onderweg overnachtend in de tent, een pensionnetje of in het zieltogende FDGB-vakbondshuis Rosa Luxemburg tussen Elend en Schierke. Bij toeval was ik vermoedelijk de eerste Nederlander die na de Koude Oorlog op de top van de 1142 meter hoge Brocken stond. En de eerste Bürger die dat op de fiets deed. Op de dag dat ik langsfietste werd de afluisterberg weer voor het publiek geopend. Vooruit, dacht ik, dan beklim ik ruim twee eeuwen na Goethe maar gelijk de hoogste berg van de Harz.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de Brocken in eerste instantie door de Amerikanen bezet. In 1947 werd de berg aan de Sovjets afgestaan. Het werd een militaire vesting van het sovjetleger op de grens van oost en west. Eerst werd de militaire functie nog gecombineerd met toerisme. Van 1949 tot 1959 was er zelfs nog een restaurant op de top, maar van toeristische bloei kon door de naargeestige Koude Oorlogssfeer geen sprake meer.

Na de bouw van de Berlijnse Muur in 1961 en de vervolmaking van het IJzeren Gordijn tussen Oost- en West-Duitsland kwam er geen toerist meer de Brocken op. Een brede strook langs de grens was Oost-Duits Sperrgebiet. De berg was onbereikbaar. Vanaf de Brocken legden de Russische en Oost-Duitse geheime diensten hun oren in West-Duitsland te luisteren. De in 1986 uitgebreide afluisterpost werd door haar koepelvorm de Stasi-moskee genoemd. Vier jaar later fietste ik de berg op, tot verbazing van duizenden wandelaars en nieuwsgierigen die met een treintje naar de top reden.
Tijdens mijn laatste bezoek aan de real existierende DDR was de aftakeling dagelijks zichtbaar. De letters DDR brokkelden van het bord voor een kantoor van de Kulturbund en de eerste DDR-relikwieën kwamen in de uitverkoop. De ondergang was onvermijdelijk, gelukkig.

Erik de Graaf

donderdag 25 september 2014

Sunlight uit, altijd lastig


Eergisteren stootte het Vlaardingse Deltasport de eredivisieclub Willem II uit het KNVB-bekertoernooi. Mooie prestatie, waarvoor ik gisteren als oud-Vlaardinger een paar keer werd gefeliciteerd. Beetje overdreven, maar toch.

In mijn voetbaljeugd speelde ik voor de gereformeerde zaterdagclub Zwaluwen. Vlaardingse tegenstanders waren HVO (van het Havenbedrijf Vlaardingen-Oost, maar in de volksmond Honderd Vuile Onderbroeken), TBS (The Shell Boys), RKWIK (het Rooms Katholieke Willen Is Kunnen, ook een soort bedrijfsclub), Fortuna Vlaardingen, VFC en nog een aantal clubs.

Deltasport bestond toen nog niet. Het is een fusieclub uit 1990. Een van de fusiepartners was de bedrijfsvoetbalclub Sunlight, overigens hardnekkig Sunlicht genoemd in Vlaardingen en omstreken. De zeepmaatschappij Sunlight was al vanaf de jaren dertig onderdeel van Unilever, maar bleef op het oog zelfstandig voortbestaan met producten als Omo, Vim, Sunil, Andy en de handzeep Lux.

Sunlight, of eigenlijk dus Sunlicht, had een voetbalveld naast de zeepfabriek. Daar speelde ik rond mijn tiende een paar keer met de pupillen van Zwaluwen een uitwedstrijd. Ik vond het altijd een naargeestig terrein, zonder dat ik als kleine jongen wist hoe dat kwam. Waarschijnlijk had ik flarden opgevangen van gesprekken over de Duitse V1-raketbasis op het Sunlight-terrein, die in maart 1945 door de Engelsen werd gebombardeerd. VIM, had de illegaliteit aan Engeland doorgegeven om de raketinstallatie te kunnen lokaliseren.


Voordeel van “Sunlight-uit” was dat je altijd schoon thuiskwam. Je speelde er in een wolk van zeeplucht, omdat de zeepproductie tijdens de wedstrijd gewoon doorging. Het voetbalzweet begon nog net niet te schuimen. En bij de douches lagen altijd genoeg blokken zeep. Voetballend hadden we in mijn herinnering weinig last van Sunlight. We droogden ze eenvoudig af.

Erik de Graaf

donderdag 18 september 2014

Belgische vluchtelingen in Warffum


Na de val van Anwerpen in augustus 1914 vluchtte een miljoen Belgen naar Nederland. In zevenenvijftig Groninger gemeenten werden bijna 3400 Belgen opgevangen, waarvan zo’n vijfhonderd in de stad. De rest waaierde uit over de provincie. Toen de rust in Antwerpen enigszins terugkeerde trokken de meeste vluchtelingen weer zuidwaarts. Toch bleven er nog lang Belgische vluchtelingen in Groningen.

In maart ontving ik een mail van de journaliste Ariane de Borger uit Brussel. Voor het Belgische PlusMagazine schreef ze een serie over de belevenissen van haar voorouders als vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog. In mei 1916 ontvingen zij in het opvangkamp in Harderwijk een kaart van hun vriend Lowie Bastanie, die vanuit Harderwijk naar Warffum was overgeplaatst. 

"Beste vrient Theofiel”, las ik op de kaart. “Zoo heeft ik de zondag ook aan het strand geleegen met mijnen verloofde. Vrient zoo dus kunt gij wel denken wat plizier ik nu heeft teegen dat ik daar was". Blijkbaar beviel het leven op het Groningse Hogeland Lowie met zijn verloofde beter dan de drukte in het opvangkamp aan de rand van de Veluwe. Welk strand bij Warffum hij bedoelt is niet duidelijk. Waarschijnlijk staarden Lowie en zijn verloofde vanaf de dijk over het Wad bij Noordpolderzijl.


Of ik  haar aan achtergrondinformatie over de opvang van Belgische vluchtelingen in Warffum kon helpen, vroeg Ariane de Borger. Er waren zowel Belgische militairen als burgers in Warffum. Ze werden op drie locaties in het dorp ondergebracht. In de Hoofdstraat 12-14 woonden enkele militairen, die door Nederlandse soldaten werden bewaakt. Van die militaire "interneeringsgroep" bestaat een foto, die gemaakt werd voor dat huis. Een enkele Warffumer weet nog dat Hoofdstraat 12-14 lang de kazerne werd genoemd.


Verder woonden er vluchtelingengezinnen in het pand van de Grietje Reinders Stichting aan de Warffumer Maar. Die Stichting bekommerde zich al vanaf 1898 om het lot van achtergestelden in de gemeente. Van spijsverdeling voor arme kinderen tot opvang van vluchtelingen. In de Jaarverslagen van de Stichting las ik voor het eerst over de huisvesting van oorlogsvluchtelingen in 1915: “Het gebouw heeft het heele jaar dienst gedaan als huisvesting voor Belgische vluchtelingen.” Volgens het verslag van 1916 vertrokken de vluchtelingen aan het eind van dat jaar.

De derde opvanglocatie was een barak bij de joodse begraafplaats. Die barak was al in de negentiende eeuw gebouwd om besmettelijke zieken, bijvoorbeeld met cholera, af te zonderen. In de volksmond werd de barak "het ziekenhuis" genoemd. Van de drie opvangplekken is alleen van de laatste niets overgebleven.

Ook aan Warffum is de Eerste Wereldoorlog dus niet ongemerkt voorbijgegaan. En niet alleen omdat de kermis van 1915 werd afgelast. Ik hoop er binnenkort op terug te komen.

Erik de Graaf

zaterdag 13 september 2014

Feest op het kerkhof


Ooit was de wierde van Ezinge een van de grootste van Groningen. Al ver voor het jaar 0 werd de droge verhoging in het landschap door mensen bewoond. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Plinius (in Naturalis historia uit het jaar 77) leken de bewoners bij vloed op zeelieden en bij eb op schipbreukelingen. Vanaf de vroege dertiende eeuw stond bovenop de wierde een romaanse kerk met een losstaande toren. Rondom de kerk werden eeuwenlang de Ezinger doden begraven. 

De glooiende verhoging in het landschap werd rond 1900 voor driekwart afgegraven. De vruchtbare grond werd voor goed geld aan de veenkoloniën in het oosten van de provincie verpatst. De kerk van Ezinge staat sindsdien op een soort klif, metershoog boven de afgraving, die tegenwoordig als ijsbaan op de volgende strenge winter ligt te wachten. Ook aan enkele boerderijtjes in de omgeving kun je nog zien dat eromheen afgegraven is.

Vandaag was het feest in Ezinge. Waarom werd me niet duidelijk. Misschien was het vanwege Open Monumentendag. Bovenop de wierde stond tussen eeuwenoude graven een enorm springkussen voor de jeugd. Jong en oud genoten van hapjes, drankjes en gezelligheid. Ook de doden hadden ook weer eens een verzetje.

Erik de Graaf

donderdag 11 september 2014

Helden van het noorderlicht


Misschien is in de komende nachten in Nederland het noorderlicht te zien, las ik net op de site van National Geographic. Dinsdag en woensdag zijn er op de zon uitbarstingen geweest, die een wolk van elektromagnetisch geladen deeltjes richting aarde hebben gezonden. Als die deeltjes op de magnetosfeer van de aarde stuiten ontstaat het noorderlicht, zeggen de deskundigen.

ONZIN, weet iedere Bommellezer. Van mei tot juni 1943 publiceerde Marten Toonder in de De Telegraaf het verhaal Het geheim van het noorderlicht, waarin Tom Poes met kapitein Wal Rus (het was zijn debuut in Toonders strip) uiterst actueel een oorlog om de schatten van de Noordpool voorkwam.

Wal Rus’ schip de Albatros is met een lading bananen voor de Eskimo’s onderweg naar het hoogste noorden. Vlak voordat ze de poolcirkel binnenvaren raadt Wal Rus Tom Poes aan iets warms aan te trekken. “Niet iedereen kan de kou verdragen, en de meeste landhaaien worden er ziek van. Ik voor mij voel me het prettigst, als de ijspegels aan mijn snor hangen”.


Net binnen de poolcirkel loopt de Albatros in dichte mist op een ijsberg. De bemanning lijdt schipbreuk. Tom Poes en Wal Rus bereiken met een reddingssloep de Noordpool. Van de andere opvarenden wordt niets meer vernomen. Bij toeval stuiten de twee overlevenden op het huis van Wammes Waggel, die sindskort handel drijft met Eskimo’s. Hij ruilt wafels, van ijswafels houden de poolbewoners niet, tegen ijsberenhuiden.

Door de handel van Waggel raken Tom Poes en Wal Rus verzeild in een conflict tussen zuidelijke en noordelijke Eskimo’s. De zuidelijken willen de reusachtige diamant van Eskimo-voorman Aino Kaino veroveren, waarmee hij ’s winters het noorderlicht veroorzaakt. Door een list weet Tom Poes de zuidelijke belagers af te laten druipen en de diamant te redden.

Daarmee redden Tom Poes en Wal Rus ook het noorderlicht. Vanavond toch maar even de wekker zetten om te zien wat Aino Kaino ervan bakt. Hij toont zijn lichtshow nog maar zelden. In 2003 voor het laatst, las ik zojuist.

Erik de Graaf

vrijdag 5 september 2014

Persoonlijk vredesverdrag


In september 1964, in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, kondigde het communistische Oost-Duitsland een Bausoldatengesetz aan (Gesetz = wet). Voortaan konden jonge mannen met religieuze en ethische bezwaren tegen het Oost-Duitse leger hun militaire dienstplicht zonder wapentuig vervullen. Als zogenaamde bouwsoldaten werden de kritische Oost-Duitse rekruten ingezet voor infrastructurele werken, meestal voor militaire doeleinden

Het was bepaald niet de vervangende dienstplicht waarvan de Oost-Duitse pacifisten hadden gedroomd, maar het was een stap in de goede richting. Vijftienduizend dienstplichtigen maakten gebruik van de regeling. Veel meer gegadigden werden helemaal niet meer door het leger opgeroepen, want te hoge aantallen critici stonden niet goed in de statistieken van de DDR. 

Vanmiddag is in de Lutherstadt Wittenberg een Bausoldatenkongress 2014 begonnen. Afgelopen woensdag belde mijn vriend Knopf Burghardt om te vertellen dat daar een Arbeitsgruppe over persoonlijke vredesverdragen zou zijn. "Je raadt wel aan wie ik moest denken toen ik dat las", zei Knopf. Nou, dat wist ik wel.

In november 1983 leerde ik de voormalige Bausoldat Knopf kennen tijdens een vredesbijeenkomst in een kerk in Erfurt in de DDR. Drie dagen later ondertekenden we op zijn zolderkamer een persoonlijk niet-aanvalsverdrag. Friedensvertrag schreven we boven het A4-tje, waaronder later nog de foto van het historische moment werd geplakt. Knopf beloofde plechtig nooit een wapen op Erik Holland te richten. Ikzelf ondertekende mijn belofte nooit op Knopf DDR te schieten.

Het was allemaal uiterst symbolisch. Ik had (en heb) nog nooit een wapen op iemand gericht. Ik heb sowieso nog nooit een wapen gericht, zelfs niet op de kermis. Maar het was Koude Oorlog en met deze “vijand” bleek ik het prima te kunnen vinden. Nog steeds. Eergisteren hebben we elkaar lachend verklaard dat de afspraak van 31 jaar geleden nog steeds geldt.


Ik wens Knopf en vele andere bouwsoldaten veel succes op hun congres in Wittenberg. Ik had er best bij willen zijn.

Erik de Graaf

woensdag 27 augustus 2014

Zirkus Konzentrazani


“Zondag was er een groots circus met ‘ossen’, ‘kamelen’ en andere rariteiten. Als het Circus Sarasani was geweest zou ik er met plezier grif voor betaald hebben. Alle gekheid op een stokje, het was een grootse show”, schreef Eugen Eggerath eind augustus 1933 vanuit het Duitse concentratiekamp Börgermoor aan zijn vrouw. Het door Eggerath bewonderde circus heette echter niet Sarasani maar Zirkus Konzentrazani. Voor en door gevangenen. Op 27 augustus 1933 trad het voor het eerste op voor negenhonderd wildenthousiaste concentratiekampgevangenen, waarvan de briefschrijver er één was.

De ossen en de kamelen van het circus waren niet echt. Het orkestje met vijf Veenblazers, het koor met Veenzangers en het Reuzenveenballet wel. De artiesten waren gevangenen van het kamp Börgermoor in het grensgebied met Nederland. Lange dagen deden ze zwaar lichamelijk werk door het ontginnen van veen in de buurt. De zondag was om uit te rusten. Het door de gevangenen georganiseerde en uitgevoerde circusvoorstelling verzette de zinnen op 27 augustus 1933. “Om kort te gaan”, schreef Eggerath met een perfect gevoel voor understatement in de brief aan zijn vrouw, “het was de beste dag in de laatste zes maanden”.  

Wat Eggerath nog niet kon weten, maar misschien  al wel aanvoelde, was dat hij die zondagmiddag in augustus een historisch moment  in de muziekgeschiedenis meemaakte. Aan het slot van de circusvoorstelling zongen zestien zangers van een arbeiderskoor uit het Duitse Solingen, ook allemaal gevangenen in Börgermoor, met de spaden over hun schouders het Moorsoldatenlied over hun gevangenschap en het zware werk in het veen (Moor is Duits voor veen). De tekst was geschreven door de gedetineerden Johann Esser en Wolfgang Langhoff, de muziek was van hun communistische lotgenoot Rudi Goguel. Er trok een zindering door de zaal. De melodie werd vrijwel onmiddellijk meegeneuried, het refrein na een keer horen meegezongen. Negenhonderd gevangenen zongen het optimistische slot “Ewig kann’s nicht Winter sein. Einmal werden wir froh sagen: Heimat du bist wieder mein”.

Twee dagen later werd het gloednieuwe lied door de SS verboden. Dat kon niet verhinderen dat het lied door overplaatsing van gevangenen door heel Duitsland en ver daarbuiten bekend werd. Het zingen van het Moorsoldatenlied in gevangenschap bleek een enorme steun. In Sachsenhausen werd het lied gezongen, in Buchenwald, door Brigadisten in de Spaanse burgeroorlog en, bijzonder genoeg, zelfs door Duitse krijgsgevangenen in kampen in de Verenigde Staten. Het zingen van het lied gaf moed voor de toekomst. 

Sinds 1945 is het lied in 700 tot 800 verschillende internationale uitvoeringen op de plaat of CD gezet. Van Griekenland tot de Sovjetunie, van Nederlan tot de Verenigde Staten. Vandaag bestaat het lied 81 jaar. Afgelopen zondag woonde ik in het Herdenkingscentrum Esterwegen, vlakbij Börgermoor, een lezing over de geschiedenis en de verspreiding van het lied bij. De zaal was bomvol. Indrukwekkend, tot op de dag van vandaag.

Erik de Graaf


PS: in april schreef ik ook een blog over het Moorsoldatenlied. Bij deze blog de uitvoering van de Amerikaan Paul Robeson uit 1942.

woensdag 20 augustus 2014

Godfried Bomans' oplossing voor het "meeuwenprobleem"


Alsof er nog niet genoeg ellende op de wereld is verklaarde de VVD vandaag de oorlog aan de meeuwen. “Ze graaien uit vuilniszakken, poepen op auto’s, maken afgrijselijke herrie en vallen zelfs kinderen aan”, vindt de liberaal Heerema. De meeuw moest van de lijst van beschermde inheemse diersoorten af om ze af te kunnen schieten of om ze te vergassen, vinden de liberalen. De VVD is op oorlogspad.

Overlast is vaak een gevoelszaak. De een stoort zich aan zaken die anderen niet eens opvallen.  Het “meeuwenprobleem” is niet alleen van deze tijd. Godfried Bomans heeft zich verschillende keren in de meeuw verdiept. In 1971 werd hij horendol van de tienduizenden of misschien wel honderdduizenden meeuwen op Rottumerplaat, waar hij een poosje in eenzaamheid verbleef. Ze hielden hem uit zijn slaap, wat zijn weerstand bepaald niet ten goede kwam.  En “als de meeuwen tot bedaren komen, houden ze er een dof gemompel op na en dat is net of een paar mannen vlakbij de tent in het donker staan te beraadslagen”. Bomans werd bang en ziek en de rest van zijn experimentele weekje op het onbewoonde eiland werd een ramp.

Vijftien jaar daarvoor maakte Bomans zich nog vrolijk over het “meeuwenprobleem”. In 1956 droeg hij een oplossing aan voor de situatie op Schiphol, “waar grote zwermen meeuwen een gevaar voor het luchtverkeer vormden”. In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van dat jaar droeg hij een oplossing aan. “Wat ligt er nu meer voor de hand”, schreef hij een paar weken voor de verkiezingsdag in zijn column in De Volkskrant, "dan dat we de vijf miljoen gulden, die voor de ‘zwevende massa’ der politiek besluitelozen aan propaganda uitgegeven wordt, tevens benutten om de meeuwen op Schiphol te verjagen? Ik stel voor dat onze lijsttrekkers van de duizenden redevoeringen, die zij houden moeten, er minstens één percent op Schiphol afsteken. Er is geen meeuw, die dat uithoudt. In het begin zullen ze met belangstelling luisteren, maar na de tiende spreker, die precies het omgekeerde beweert van wat zijn voorganger gezegd heeft, zullen ze in een lichte onrust geraken. En na de vijftiende zullen ze krankzinnig worden en in paniek wegvliegen.”

Misschien moet die meneer Heerema van de VVD zelf een poosje naar de kust om wat politieke losse flodders los te laten. In Bloemendaal of Wassenaar willen er vast nog mensen naar hem luisteren, terwijl de meeuwen volgens het recept van Bomans snel op de vlucht zouden slaan. Op naar betere oorden. Ze verdienen het.

Erik de Graaf

dinsdag 19 augustus 2014

Kartonnen kameraden


“De DDR maakt gebruik van kartonnen poppen in de wachttorens langs de vrijwel ondoordringbare grens met West-Duitsland”. Dat maakte het West-Duitse ministerie van Binnenlandse Zaken in haar jaarverslag over 1985 bekend. Ik las het zojuist terug in een berichtje uit een krantenknipselmap uit dat jaar.

Op de honderden wachttorens langs de 1358 kilometer lange Duits-Duitse grens tussen de Oostzee en Tsjechoslowakije werden steeds vaker “kartonnen kameraden” gesignaleerd, terwijl grensbewakers uit vlees en bloed een tiental kilometers oostelijker werden ingezet om potentiële vluchtelingen ruimschoot voor de grens tussen oost en west in de kraag te grijpen. De West-Duitse grenspolitie meldde in 1985 dan ook slechts dertig geslaagde vluchtpogingen van oost naar west (daaronder acht Oost-Duitse soldaten).

De kartonnen kameraden waren al veel langer actief in de verdediging van het Oost-Duitse vaderland. Ze waren echter hun leven niet zeker. In zijn dichtbundel Pappkameraden uit 1981 herinnerde de Oost-Duitse dichter-dissident aan zijn diensttijd in de Nationale Volksarmee, het leger in de DDR:

In Dezember neunundsiebzig
In einem Wald bei Plauen im Vogtland
Schoβ ich zum ersten Mal
Mit scharfer Munition
Auf Pappkameraden

So nannten wir sie: Pappkameraden

Sie kippten um
Oder blieben stehen
Und hinterher wurden die Löcher wieder zugeklebt
Mit schwarzer Folie

Jürgen Fuchs was al jong een criticaster van het DDR-regime. Vlak na de onderdrukking van de Praagse Lente in 1968 moest hij in de DDR in militaire dienst. Het bleek een bron voor gedichten en romans, waarin hij met grote precisie de vernederingen en de kadaverdiscipline beschreef. De ervaringen maakten hem ongeschikt voor een onderdanig DDR-leven. In 1976 werd hij gearresteerd na protesten tegen de gedwongen uitburgering van de zanger Wolf Biermann (op de foto staat Fuchs helemaal rechts naast Biermann). Een jaar later werd hij vanuit de Oost-Duitse gevangenis naar West-Berlijn vrijgelaten.  

Erik de Graaf